vrijdag 10 november 2023

LEDEN VAN DE COMMISSIE/MEMBRES DE LA COMMISSION: Louis-Prosper GACHARD (1800-1885)

 

(afbeelding/image: Louis-Prosper Gachard, Notice sur Louis-Prosper Gachard, membre de l'Académie", Annuaire de l'Académie royale des sciences, des lettres et des beaux-arts de Belgique, 54 (1888), 193-236)

Toen in 1846 de Koninklijke Commissie voor de Uitgave der Oude Wetten en Verordeningen van België (CRALO) werd samengesteld, werd weldoordacht te werk gegaan. De meeste commissieleden waren magistraten en juristen, maar drie leden hadden een achtergrond in het archiefwezen: naast de algemeen rijksarchivaris ging het om de provinciale archivaris van Luik en de voormalige provinciale archivaris van Oost-Vlaanderen, die intussen bibliothecaris van de Gentse universiteitsbibliotheek was geworden. Niet alleen waren de bronnen die de commissie zou uitgeven, vooral in archieven te vinden, archivarissen waren in het midden van de negentiende eeuw bij uitstek de kenners van het verleden. Zij vertoefden immers voortdurend in archieven die nog grotendeels onontgonnen waren.

Dat de algemeen rijksarchivaris werd uitgekozen als lid, lag al helemaal voor de hand. Louis-Prosper Gachard was de meest vooraanstaande archivaris in België. Hij had bovendien ervaring met grootschalige uitgavenprojecten. Sinds 1834 was hij lid van de Koninklijke Commissie voor Geschiedenis (opgericht bij Koninklijk Besluit van 22 juli van dat jaar), die initieel enkel oude kronieken moest publiceren, maar zich al snel ook met oorkonden en andere archiefbronnen inliet. Gachard kreeg daarnaast in 1840 van de Kamer van Volksvertegenwoordigers de opdracht om een overzicht van de vergaderingen van de Staten-Generaal op te stellen. Daarvoor prospecteerde Gachard de Belgische archieven, het Algemeen Rijksarchief in DenHaag én het Archivo general de Simancas, het voornaamste archief van het Spaanse koninkrijk: van juni 1843 tot november 1844 verbleef Gachard in Spanje.

Tussen 1848 en 1879 publiceerde de algemeen rijksarchivaris vijf delen Correspondance de Philippe II sur les affaires des Pays-Bas, publiée d’après les originaux conservés dans les Archives royales de Simancas (u vindt het werk geëmbed na deze paragraaf). Gachard werd dé kenner van de zestiende eeuw. De roem die hij uiteindelijk verwierf, mag echter niet doen vergeten dat zijn positie tijdens de jaren 1830 en 1840 uiterst gecontesteerd was geweest. Het was net om daarin verandering te brengen, dat hij naar Spanje trok. Gachard slaagde in zijn opzet: tijdens de volgende decennia groeide hij uit tot de welbekende, eminente archivaris, die bovendien – zo werd in 1881 gezegd – ‘de grootste figuur van België op historisch gebied sedert 1830’ was. Onder meer zijn aanstelling in de CRALO in 1846 markeerde die gelukkige omslag.


Toen Gachard in 1800 in Parijs werd geboren, liet niets vermoeden dat hem een lange archiefcarrière wachtte. In 1817 verhuisde hij naar Doornik, waar hij aan de slag ging in de drukkerij Casterman. Twee jaar later maakte hij de overstap naar de stadsadministratie. Zo ontdekte hij de plaatselijke archieven. In het archief van de Staten van Doornik en het Doornikse deed hij in 1825 een belangrijke ontdekking: het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden kon een groot bedrag aan achterstallige rechten van Frankrijk eisen. Plots leek een nationale archieftoekomst voor Gachard weggelegd. Meer bepaald droomde hij ervan een raadgever van de koning te worden. Hij schreef daarom aan Willem I dat hij meende te kunnen aantonen dat de clerus altijd al aan het wereldlijke gezag onderworpen was.

Gachards kandidatuur voor een archiefbaan werd door het ministerie van Binnenlandse Zaken welwillend ontvangen. In de zomer van 1826 ging hij in het Rijksarchief te Brussel aan de slag. Daar vervulde hij een andere rol dan hij had verwacht: hij moest het archief bruikbaar maken voor een nieuwe, wervende nationale geschiedenis. Gachard omarmde die opdracht en lanceerde onophoudelijk voorstellen. Hij stelde bijvoorbeeld in 1827 voor om de ‘historische’ en ‘administratieve’ delen van de archieven van de voornaamste rechtscolleges uit het ancien régime onder te brengen in het Rijksarchief. Enkel wat ‘juridisch’ was, zoals de procesdossiers, mocht nog in rechtbankgriffies worden bewaard. Zowel het opdelen van archieven als het centraliseren ervan in Brussel, werd afgekeurd door het ministerie. Dit was niet de enige keer dat Gachard werd teleurgesteld.

Na de Belgische Revolutie haalde Gachard zijn eerdere plannen weer boven. In 1831 was hij namelijk gepromoveerd tot algemeen rijksarchivaris. Enkele jaren lang bepaalde hij het nationale archiefbeleid. Met het koninklijk besluit van 15 oktober 1832 werd bijvoorbeeld de opsplitsing van de archieven van de Grote Raad van Mechelen en van de Raden van Brabant, Doornik, Henegouwen, Namen en Vlaanderen verordend. De Gemeente- en Provinciewetten van 1836 maakten Gachards centraliserende agenda echter onmogelijk. Ondertussen werd ook het Rijksarchief meer en meer bekritiseerd. De autoriteit van de algemeen rijksarchivaris werd ingeperkt. Hij moest zich concentreren op het inventariseren van archieven. Vervolgens publiceerde Gachard in 1837 een eerste deel van de Inventaire des archives des Chambres des comptes (cf. digitale versie hieronder). Op die realisatie was hij erg trots, maar toch volstond dergelijk archiefwerk voor hem niet. Hij kreeg daarom het idee om naar Spanje te reizen.



Omstreeks 1850 had Gachard de teugels weer stevig in handen. De CRALO hielp hem daarbij: onder meer twee oud-ministers van Justitie waren immers collega’s geworden. Meteen probeerde Gachard verdere uitvoering te geven aan het koninklijk besluit van 15 oktober 1832; eerder had hij vanuit de rechterlijke macht veel tegenwerking ondervonden. De algemeen rijksarchivaris bleef zich bezighouden met de organisatie van het archiefwezen, maar zijn aandacht ging nu vooral uit naar grootschalige uitgaveprojecten, zoals dat van de CRALO. Behendig manoeuvreerde hij van onderneming naar onderneming: als een bepaalde uitgave op problemen stootte, stapte Gachard over naar een ander project. Die aanpak was weinig planmatig, maar de kwaliteit van zijn werk leed er niet onder. Al in zijn eigen tijd was Gachard weliswaar niet de meest erudiete tekstbezorger (hij was dan ook een autodidact), maar hij kon toch op veel instemming rekenen. Met het boek waarin zijn inleidingen voor de vijf eerste delen van het Recueil des ordonnances des Pays-Bas autrichiens (1860-1882) waren gebundeld, won hij in 1881 de vijfjaarlijkse prijs voor vaderlandse geschiedenis. We nemen hieronder als voorbeeld de inleiding op het derde volume op:


Een zesde deel met verordeningen was bijna af toen Gachard in 1885 overleed. Enkel de inleiding ontbrak. Het was niet het enige project dat hij onafgewerkt achterliet. Dat maakt zijn realisaties niet minder indrukwekkend. Eigenlijk had Gachard als archivaris een koninklijke adviseur willen zijn, maar hij werd de raadsman van historici. Hij wees hen op interessante bronnen en hielp hen die stukken te interpreteren, door in uitgebreide inleidingen hun politieke en institutionele context te schetsen. Doordat de CRALO onder de minister van Justitie viel, waren de oude ordonnanties echter meer dan historische stukken: zij werden ingepast in een continue rechtstraditie. Die actuele waarde sprak Gachard ongetwijfeld aan. Was het daarom dat hij zoveel tijd vrijmaakte voor de commissie? Haast veertig jaar lang – van 1846 tot 1885 – vervulde de algemeen rijksarchivaris namelijk de rol van secretaris.

-

La composition la Commission Royale pour la Publication des Anciennes Lois et Ordonnances de Belgique (CRALO) fut le fruit d'un processus réfléchi. La plupart des membres étant magistrats et juristes, leur expertise était complémentée par trois membres issu du monde des archives. L'archiviste du Royaume se trouva en compagnie de l'archiviste provincial de Liège, ainsi que de l'ancien archiviste provincial de Flandre-Orientale (entretemps devenu bibliothécaire de l'Université de Gand). Les sources destinées à publier par la Commission se trouvaient surtout dans les archives. Les archivistes, quant à eux, étaient les connaisseurs par excellence du passé au milieu du XIXe siècle. Les dépôts, majoritairement non cartographiés, étaient leur habitat naturel.

Le choix de l'archiviste du Royaume était d'autant plus évident. Louis-Prosper Gachard était l'archiviste le plus célèbre du pays. Son expérience avec les projets d'édition d'envergure était un atout complémentaire. Depuis 1834, il faisait partie de la Commission Royale d'Histoire (créée par arrêté royal du 22 juillet de la même année). Cet organe ne fut initialement chargé que de la publication des anciennes chroniques. Cependant, ses activités se déployèrent très vite sur le terrain des chartes et autres sources archivistiques. Gachard reçut en autre la mission de la Chambre des Représentants pour la rédaction d'un compte rendu des réunions des États-Généraux. A cette fin, Gachard visita les archives belges, les Archives de l'État à La Haye et l'Archivo general à Simancas. Dans ce dernier dépôt, le principal pour les archives des royaumes d'Espagne, Gachard passa d'innombrables heures entre juin 1843 et novembre 1844.

Entre 1848 et 1879, Gachard publia cinq volumes de Correspondance de Philippe II sur les affaires des Pays-Bas, oeuvre collationnée sur les "originaux" conservés à Simancas (la version numérique se situe ci-dessus, après le paragraphe correspondant à celui-ci, en version néerlandaise). Gachard acquit une stature de connaisseur par excellence du XVIe siècle. Il ne faudrait pas pour autant passer sous silence la contestation qu'il subit au long des décennies 1830 et 1840. Son départ en Espagne s'explique notamment comme point de rupture avec cet épisode. Gachard en tira tous les bénéfices imaginables. Les décennies après le passage à Simancas virent l'apothéose de l'archiviste célèbre et éminent, qualifié en 1881 de "plus grande figure sur le plan de l'historiographie depuis 1830". Sa nomination comme membre de la CRALO fut une partie intégrante de cette évolution.

Pourtant, lors de la naissance du protagoniste à Paris en 1800, rien ne semblait annoncer une longue carrière d'archiviste. Son premier poste était à l'imprimerie Casterman à Tournai, où il avait déménagé à l'âge de 17 ans. En 1819, nous retrouvons Gachard dans l'administration municipale. La découverte des archives locales s'en suivit. Six ans plus tard, le futur archiviste du Royaume découvre dans les archives des Etats du Tournaisis un titre juridique fondant une créance du Royaume Uni des Pays-Bas contre la France d'un montant considérable. Un avenir national dans les archives s'annonçait, l'intéressé se rêvant déjà en conseiller du monarque. Gachard s'adresse notamment à Guillaume Ier en lui offrant une argumentation historique servant à prouver la soumission du clergé au pouvoir temporel.

La candidature de Gachard à un emploi d'archiviste auprès du Ministère de l'Intérieur fut reçue avec bienveillance. A l'été 1826, il brave la pluie et le soleil pour s'enfermer dans les Archives de l'État à Bruxelles. Le rôle de l'impétrant s'exprime alors complètement différemment: Gachard était sommé à rendre les archives accessibles et utilisables à une historiographie nouvelle et envoûtante. L'incitation était bien reçue: le nouvel archiviste formula des propositions sans cesse. Par exemple, en 1827, l'idée de transférer les parties "historiques" et "administratives" des archives juriciaires d'Ancien Régime aux Archives de l'État. Seuls les dossiers "juridiques", comme les dossiers des procès, pouvaient rester entre les mains des greffes des tribunaux et cours. Aussi bien la répartition des archives que leur centralisation à Bruxelles offusquèrent le Ministère. Un des multiples fins de non recevoir dans la longue carrière de l'infatigable Gachard.

La Révolution Belge fut l'occasion de faire émerger le même plan. Gachard avait notamment accédé à la charge d'archiviste du Royaume dès 1831. Pendant quelques années, il était le seul conducteur à bord pour la politique archivistique de la Nation. L'arrêté royal du 15 octobre 1832 décréta par exemple la scission des archives du Grand Conseil de Malines et des Conseils de Brabant, de Tournai et du Tournaisis, du Hainaut, de Namur et de Flandre. Les lois Communale et Provinciale de 1836 bloquèrent cependant l'agenda centralisateur de Gachard. D'autant que les critiques montaient à l'encontre des Archives de l'État. L'autorité de l'archiviste du Royaume fut sérieusement restreinte. La publication d'un premier tome de l'Inventaire des Archives des Chambres des Comptes (qui faisait la fierté de son auteur, cf. version numérique dans le paragraphe correspondant en néerlandais ci-dessus) ne put satisfaire Gachard, d'où le voyage en Espagne. 

Aux alentours de 1850, Gachard avait repris les rênes en main. La CRALO lui fut très utile. Deux anciens Ministres de la Justice étaient devenus des collègues. Ainsi, il put reprendre la voie de l'exécution de l'arrêté royal du 15 octobre 1832, essayant de surmonter l'opposition du pouvoir judiciaire rencontrée deux décennies plus tôt. L'archiviste du Royaume restait également occupé par des projets d'édition de grande envergure, comme la CRALO. Sautant d'un projet à l'autre en cas de blocage, le travail de Gachard n'a pas l'air d'être organisé de façon prussienne. Ceci n'impacta cependant aucunement la qualité. Comme éditeur (autodidacte), il n'était pas le plus érudit. L'approbation de la communauté scientifique ne manqua pourtant pas. La collection de ses introductions aux cinq premiers volumes du Recueil des ordonannces de Pays-Bas autrichiens (1860-1882), lui valut en 1881 le prix quinquennal d'histoire nationale (voir ci-dessus en bas du paragraphe correspondant de la version néerlandophone pour la version numérique du tome III).

Un sixième tome d'ordonnances s'approchait de l'étape finale, quand Gachard expira en 1885. Il ne manquait que l'introduction du mâitre. Ce ne serait pas le seul projet inachevé de l'archiviste du Royaume. Gachard aurait préféré devenir un conseiller du "prince" sous Guillaume Ier. Il devint celui des historiens. En leur pointant les sources potentiellement intéressantes et en suggérant des interprétations, ses introductions copieuses fournissaient le contexte politique et institutionnel. Vu le rattachement institutionnel de la CRALO au Ministère de la Justice, les ordonnances furent beaucoup plus que de simples sources historiques. Elles étaient situées dans le sillon d'une longe tradition juridique. Cette appréciation contemporaine fut certainement d'un grand intérêt pour Gachard. Serait-ce la raison qui explique son dévouement considérable aux travaux de la CRALO ? Il fut son secrétaire pendant presque quatre décennies (de 1846 à 1885).

dr. Timo VAN HAVERE (KU Leuven)

Bibliografie/Bibliographie

- AERTS, E & DE MECHELEER, L., "“Le César des Archives”: archivistiek en historiografie in de eeuw van Gachard", Bibliotheek- & Archiefgids, 79 (2003), nr. 3, 24-35.
- ONGHENA, S., "Gachard, Louis-Prosper", Nationaal biografisch woordenboek, XXII, Brussel, 2016, 311-345.
- VAN HAVERE, T., Onder archivarissen. Het Belgische archiefwezen in de negentiende eeuw, onuitgegeven doctoraatsverhandeling, KU Leuven, 2023.

vrijdag 27 oktober 2023

PUBLICATIE/PUBLICATION: René VERMEIR (éd.), Recueil des ordonnances des Pays-Bas, deuxième série : Règne de Philippe IV (1621-1665) (Bruxelles: Commission royale pour la publication des anciennes lois et ordonnances de Belgique/AGR, 2023), 4 vol., ISBN 9789463913980 (OPEN ACCESS)

Le professeur René Vermeir (Département d'Histoire, Université de Gand) vient de publier quatre volumes contenant une édition savante des ordonnances de Philippe IV, El Rey Planeta (1605-1665), comme souverain des Pays-Bas "Espagnols":

  • Volume I: 14 juillet 1621 au 8 novembre 1633 (669 p.)
  • Volume II: 11 janvier 1634 au 6 avril 1647 (431 p.)
  • Volume III: 6 juin 1647 au 8 avril 1656 (361 p.)
  • Volume IV: 19 mai 1656 au 19 août 1665 (395 p.)

Cette oeuvre majeure complète l'auguste Recueil des ordonnances des Pays-Bas, dont les volumes numérisés pour les Pays-Bas Bourguignons (Philippe le Hardi et Marguerite de Male, Jean sans Peur, Philippe le Bon), Espagnols (Charles Quint, Philippe II, Albert et Isabelle) et Autrichiens (Charles VI, Marie-Thérèse, Joseph II, Léopold II) peuvent être consultés sur le site rechtsreeks.be (KULeuven).

L'ouvrage a bénéficié d'une subvention de la Fondation pour la protection du patrimoine culturel, historique et artisanal (Lausanne) et de la Faculté des Arts et Lettres de l'Université de Gand.

Les quatre volumes sont disponibles en libre accès, à la fois pour la consultation et le téléchargement, grâce aux services de la bibliothèque universitaire gantoise (permalien ici). La version imprimée de cet ouvrage, édité en partenariat entre la Commission Royale et les Archives Générales du Royaume (volume 172 dans la collection Studia) est en vente à la boutique en ligne des Archives Générales du Royaume, au prix de € 100 (ici). 

([Retrato de Felipe IV] [Material gráfico] par Villafranca Malagón, Pedro, ca. 1615-1684 - 1657 - Valencian Digital Library, Spain - Public Domain; source: Europeana)

Prof. René Vermeir (Vakgroep Geschiedenis, UGent) verzorgde in vier volumes een erudiete uitgave van de ordonnanties van Filips IV, El Rey Planeta (1605-1665), als soeverein in de "Spaanse" Nederlanden:

  • Volume I: 14 juli 1621 tot 8 november 1633 (669 p.)
  • Volume II: 11 januari 1634 tot 6 april 1647 (431 p.)
  • Volume III: 6 juni 1647 tot 8 april 1656 (361 p.)
  • Volume IV: 19 mei 1656 tot 19 augustus 1665 (395 p.)

Dit omvangrijke en belangrijke werk vult een leemte op in de reeks Recueil des ordonnances des Pays-Bas, waavan de andere volumes voor de Bourgondische (Filips de Stoute en Margaretha van Male, Jan zonder Vrees, Filips de Goede), Spaanse (Karel V, Filips II, Albrecht en Isabella) en Oostenrijkse Nederlanden (Karel VI, Maria Theresia, Jozef II, Leopold II) kunnen worden geraadpleegd op rechtsreeks.be (KULeuven).

Deze uitgave verkreeg een subsidie van de Fondation pour la protection du patrimoine culturel, historique et artisanal (Lausanne) en de Faculteit Letteren en Wijsbegeerte van de Universiteit Gent. 

De vier volumes kunnen in open access worden geraadpleegd en gedownload op de servers van de UGent (permalink hier). De papieren versie van dit gezamenlijk door de Koninklijke Commissie voor de Uitgave van Oude Wetten en Verordeningen en het Rijksarchief gepubliceerde werk (volume 172 in de reeks Studia) kan worden besteld op de webshop van het Algemeen Rijksarchief en Rijksarchief in de Provinciën, voor de prijs van € 100. 






donderdag 20 juli 2023

LEDEN VAN DE COMMISSIE/MEMBRES DE LA COMMISSION: Matthieu N.J. LECLERCQ (1796-1889)

 

(image/afbeelding source/bron: Wikimedia Commons)

Mathieu Nicolas Joseph Leclercq wordt op 30 januari 1796 geboren te Herve als zoon van magistraat Olivier Leclercq. Hij volgt lagere school in Herve, gaat naar het lycée in Luik en begint vervolgens in 1814 zijn studie aan de École de droit in Brussel. Drie jaar later studeert hij af en schrijft hij zich in bij de balie in Luik. In 1825 wordt Mathieu Leclercq benoemd als raadsheer in het Hof van Beroep te Luik, wat het begin betekent van een lange carrière in de magistratuur. Hij wordt meteen benoemd als raadsheer in het Hof van Cassatie bij de oprichting in 1832 en wordt in 1836 onverwachts benoemd als procureur-generaal, een functie die hij 35 jaar lang zou uitoefenen. Naast zijn carrière als magistraat, bekleedt Leclercq doorheen de jaren ook meermaals functies in de wetgevende en uitvoerende macht. Bij het uitbreken van de Belgische revolutie steunt Leclercq het Voorlopig Bewind. Op 5 november 1830 wordt hij verkozen in het Nationaal Congres. Hij werkt daarin mee aan de redactie van de Grondwet en spreekt zich uit voor de Belgische onafhankelijkheid en de uitsluiting van de Nassaus. Hij mengt zich vooral in de discussies over de monarchie en de Senaat. Initieel geeft Leclercq de voorkeur aan een Amerikaans presidentieel model, maar uiteindelijk voegt hij zich bij de monarchisten. Hij verzet zich echter tegen een tweekamersysteem en ziet de Senaat als nutteloos en bovendien een gevaar omdat hij volgens hem ingaat tegen de moderne gelijkheidsgedachte die slechts een klasse duldt: de middenklasse. Zijn weerstand blijkt onvoldoende en de creatie van de Senaat wordt gestemd met 128 stemmen voor en 66 tegen. Op 30 augustus 1831 wordt Leclercq verkozen als lid van de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Slechts een jaar later zal hij de Kamer verlaten, omwille van de onverenigbaarheid met zijn nieuwe positie bij het Hof van Cassatie.

Wanneer vervolgens op 18 april 1840 een homogene liberale regering wordt gevormd onder Lebeau, wordt Mathieu Leclercq benoemd tot Minister van Justitie. Hij moet als magistraat en gematigde figuur met religieuze overtuigingen het vertrouwen wekken bij alle politieke strekkingen. Slechts tien maanden later wordt de regering na een démarche van de Senaat door de Koning de laan uitgestuurd. De val van de regering betekent ook meteen het einde van Leclercq's carrière als minister. In 1847 wordt er opnieuw op Leclercq beroep gedaan, ditmaal door de pas gevormde regering onder Rogier. Leclercq wordt, opnieuw omwille van zijn status als liberale, doch gelovige consensusfiguur als uitermate geschikt beschouwd om Belgisch ministre plénipotenitaire te worden bij het Vaticaan. Zijn benoeming wordt bekrachtigd door de Koning en aan het Vaticaan gecommuniceerd, maar de Heilige Stoel antwoordt in zeer vage bewoordingen dat Leclercq allerminst voldoende garanties biedt. Hoewel het Vaticaan later terugkomt op de initiële weigering om Leclercq te accepteren, is het Leclercq zelf die weigert om deze diplomatieke functie nog op te nemen. Leclercq krijgt nochtans massale steun vanuit de wetgevende kamers en de publieke opinie. Hij ziet zich echter in zijn eer geschonden en een afwijzing is volgens hem de enige juiste keuze. Leclercq zal, wellicht met deze affaire in gedachten, in de jaren die volgen nog meermaals ministerportefeuilles weigeren. Zelfs een tussenkomst van Leopold I kan hem niet overhalen.

Mathieu Leclercq was daarnaast ook actief in verscheidene organisaties, waaronder deze Commissie. Als lid van de Koninklijke Academie publiceerde hij in 1852 en 1857 twee belangrijke constitutionele werken over de rechterlijke macht. Het eerste heeft als titel “Un chapitre du droit constitutionnel des Belges : Le pouvoir judiciaire. Première étude : nature,étendue et limites" en handelt over wat Leclercq "la nature des choses" noemt. Het is een eerder theoretische verhandeling over de essentie, de draagwijdte en de limieten van de rechterlijke macht. Het werk is typerend voor de methode die hij gedurende zijn hele carrière (en in navolging van zijn vader) gebruikt. Leclercq probeert zich zo dicht mogelijk bij de geest van de tekst te houden door terug te gaan naar de principes en de natuur der dingen. Hij citeert uiterst zelden en krijgt gedurende zijn loopbaan de reputatie van “jurisconsulte de première force et de haute originalité”. Het tweede deel van zijn grondwettelijke verhandeling heeft als subtitel “l’organisation” en behandelt in concreto de relevante Grondwettelijke artikelen (de oorspronkelijke artikelen 92 e.v.) die de institutionele organisatie van de rechtbanken en de bevoegdheidsverdeling regelen. In deze werken beschrijft hij alle principes, bepalingen en definities, van vrederechter tot Hof van Cassatie, tot in de kleinste details. Leclercq zou het werk initieel slechts verspreiden onder vrienden en confraters. Vele jaren later, in 1889, laat procureur-generaal Mesdach de ter Kiele het werk in de Belgique Judiciaire publiceren. 

In 1864 waagt Leclercq zich opnieuw aan een constitutioneel werk, ditmaal omtrent “la question du Flamand”. Na een spraakmakend arrest van het Brusselse Hof van beroep en bijbehorende noot van Albéric Allard, mengt ook Leclercq zich in het debat rond de talenkwestie en het oude artikel 23 van de Grondwet. Leclercq stelt zich de vraag wat het recht inhoudt betreffende het taalgebruik in betrekkingen tussen burgers en bestuur. Hij komt tot volgende zesvoudige, conclusie, die duidelijk aanleunt bij het personaliteitsbeginsel:

"1° le Belge ne peut subir, à raison de sa langue, aucune exclusion dans une partie quelconque de la Belgique ; 2° la langue comprise tout à la fois par deux ou plusieurs Belges fonctionnaires publics, ou par le Belge fonctionnaire public et le Belge simple particulier, doit être employée dans leurs relations ; 3° à défaut d'une langue commune, un interprète doit leur servir d'intermédiaire aux frais du Trésor public; 4° à défaut d'une langue commune dans un jury, la composition doit être ramenée à la langue de la majorité ; 5° l'avocat est tenu de plaider dans la langue comprise par le jury, comme dans celle comprise par les magistrats ; 6° une langue unique doit être employée dans l'armée."

Ten slotte schrijft Leclercq op vraag van de regering ook een derde studie met grondwettelijke inslag, over het oude artikel 95 van de Grondwet, waarin het Hof van Cassatie in het leven wordt geroepen. Daarin verdiept Leclercq zich in het begrip “fond des affaires” en zet hij een advies uiteen over het beste systeem om effecten van tweede cassatieberoepen, uitgesproken in verenigde kamers, te regelen. Dit werk vertaalt zich in een wet van 7 juli 1865.

Leclercq was daarnaast eveneens voorzitter van de klasse der letteren van de Koninklijke Academie en van de Academie zelf. Hij dirigeerde ook de werkzaamheden van de Conseil de perfectionnement de l’enseignement supérieur (1849-1880), de commissie voor het diplomatiek examen en de Koninklijke Commissie voor de uitgave van oude wetten en verordeningen (1846 (als "eerste" voorzitter) – 1881), waar hij zorgde voor de uitgave van "de gewoonten van Luxemburg en het graafschap Chiny", een werk met cruciale input van Würth-Paquet, voorzitter van het Opperste Gerechtshof van het Groothertogdom Luxemburg, die door Leclercq hiervoor de nodige erkenning kreeg toegewezen van bij de inleiding van het werk. Ten slotte werd hij ook als voorzitter aangesteld van een commissie rond een wetsvoorstel over de gerechtelijke organisatie (1853) en een commissie voor een herziening van het Wetboek van Koophandel (1855). In 1859 wordt Mathieu Leclercq gedecoreerd met het Grootlint in de Leopoldsorde. Vanaf 1879 lijdt Mathieu Leclercq aan een oogaandoening die hem dwingt zijn activiteiten een voor een stop te zetten en die in 1882 tot een volledige blindheid leidt. Op 15 maart 1889 sterft hij op 93-jarige leeftijd in Sint-Joost-ten-Node.

-

Mathieu Nicolas Joseph Leclercq est né à Herve le 30 janvier 1796, fils du magistrat Olivier Leclercq. Il fréquente l'école primaire à Herve, entre au lycée à Liège et commence ses études supérieures à l'École de droit de Bruxelles en 1814. Trois ans plus tard, il obtient son diplôme et s'inscrit au barreau de Liège. En 1825, Mathieu Leclercq est nommé conseiller à la cour d'appel de Liège, ce qui marque le début d'une longue carrière dans la magistrature. Il est aussitôt nommé conseiller à la Cour de cassation lors de sa création en 1832 et, contre toute attente, est nommé procureur général en 1836, fonction qu'il occupera pendant 35 ans. Outre sa carrière de magistrat, Leclercq a également exercé à plusieurs reprises des fonctions au sein du pouvoir législatif et exécutif. Au déclenchement de la révolution belge, Leclercq soutient le gouvernement provisoire. Le 5 novembre 1830, il est élu au Congrès national. Il y participe à la rédaction de la Constitution et se prononce en faveur de l'indépendance de la Belgique et de l'exclusion des Nassau. Il intervient notamment dans les discussions sur la monarchie et le Sénat. Dans un premier temps, Leclercq préfère un modèle présidentiel américain, mais finit par se rallier aux monarchistes. Cependant, il s'oppose à un système bicaméral et considère le Sénat comme inutile et aussi comme un danger car, selon lui, il n'y a plus qu'une classe dans la société fondée sur l'égalité: la classe moyenne. Son opposition s'avère insuffisante et la création du Sénat est rejetée par 128 voix contre 66. Le 30 août 1831, Leclercq est élu membre de la Chambre des représentants. Un an plus tard seulement, il quittera la Chambre, pour cause d'incompatibilité avec sa nouvelle position à la Cour de cassation.

Puis, lorsque le 18 avril 1840, un gouvernement libéral homogène est formé sous la direction de Lebeau, Mathieu Leclercq est nommé ministre de la Justice. En tant que magistrat et « homme essentiellement modéré et profondément religieux », il doit inspirer confiance à toutes les tendances politiques. Dix mois plus tard seulement, le gouvernement est renversé à la suite d'une démarche du Sénat. La chute du gouvernement marque aussitôt la fin de la carrière ministérielle de Leclercq. En 1847, Leclercq est à nouveau sollicité, cette fois-ci par le nouveau gouvernement formé par Rogier. Toujours en raison de son statut d'homme de consensus libéral et croyant, Leclercq est considéré comme éminemment apte à devenir ministre plénipotentiaire belge au Vatican. Sa nomination est acceptée par le roi et communiquée au Vatican, mais le Saint-Siège répond en termes très vagues que Leclercq n'offre en aucun cas des garanties suffisantes. Bien que le Vatican revienne plus tard sur son refus initial d'accepter Leclercq, c'est Leclercq lui-même qui refuse d’encore occuper ce poste diplomatique. Leclercq reçoit pourtant un soutien énorme de la part des chambres législatives et de l'opinion publique. Mais il se sent méconnu et un refus est, selon lui, la seule option qui lui reste. C'est probablement avec cette affaire en tête que Leclercq refusera encore plusieurs fois des portefeuilles ministériels dans les années qui suivront. Même une intervention de Léopold I ne parviendra pas à le faire changer d'avis.

Mathieu Leclercq a également été actif dans plusieurs organisations, dont cette Commission. En tant que membre de l'Académie royale, il publie en 1852 et 1857 deux importants ouvrages constitutionnels sur le pouvoir judiciaire. Le premier est intitulé « Un chapitre du droit constitutionnel des Belges : Le pouvoir judiciaire. Première étude : nature, étendue et limites » et traite de ce que Leclercq appelle « la nature des choses ». Il s'agit d'un traité plutôt théorique sur l'essence, l'étendue et les limites du pouvoir judiciaire. L'ouvrage est caractéristique de la méthode qu'il utilise tout au long de sa carrière (et sur les traces de son père). Leclercq s'efforce de rester au plus près de l'esprit du texte en revenant aux principes et à la nature des choses. Il cite très rarement et, au cours de sa carrière, acquiert une réputation de « jurisconsulte de première force et de haute originalité ». La deuxième partie de son traité constitutionnel est sous-titrée « l'organisation » et traite spécifiquement des articles constitutionnels (les articles originaux 92 et suivants) qui règlent l'organisation institutionnelle des tribunaux et la répartition des pouvoirs. Dans ces ouvrages, il décrit de manière très détaillée tous les principes, dispositions et définitions, depuis le juge de paix jusqu'à la Cour de cassation. Leclercq ne diffusera d'abord l'ouvrage qu'auprès de ses amis et confrères. Bien des années plus tard, en 1889, le procureur général Mesdach de ter Kiele fait publier l'ouvrage dans la Belgique Judiciaire.

En 1864, Leclercq se lance à nouveau dans une œuvre constitutionnelle, cette fois-ci concernant « la question du Flamand ». Après un arrêt controversé de la Cour d'appel de Bruxelles, analysé par Albéric Allard, Leclercq s'engage à son tour dans le débat autour de la question linguistique et de l'ancien article 23 de la Constitution. Leclercq se pose la question suivante : « Quel est le droit, quant à l'usage des langues, dans les rapports de l'autorité et de l'administration publique avec les citoyens et réciproquement? ». Il aboutit à la conclusion suivante, en six points, qui s'appuie clairement sur le principe de la personnalité :

« .1° le Belge ne peut subir, à raison de sa langue, aucune exclusion dans une partie quelconque de la Belgique ; 2° la langue comprise tout à la fois par deux ou plusieurs Belges fonctionnaires publics, ou par le Belge fonctionnaire public et le Belge simple particulier, doit être employée dans leurs relations ; 3° à défaut d'une langue commune, un interprète doit leur servir d'intermédiaire aux frais du Trésor public; 4° à défaut d'une langue commune dans un jury, la composition doit être ramenée à la langue de la majorité ; 5° l'avocat est tenu de plaider dans la langue comprise par le jury, comme dans celle comprise par les magistrats ; 6° une langue unique doit être employée dans l'armée.»

Enfin, à la demande du gouvernement, Leclercq rédige également un troisième ouvrage constitutionnel, sur l'ancien article 95 de la Constitution, qui crée la Cour de cassation. Leclercq y approfondit la notion de « fond des affaires » et émet un avis sur le meilleur système pour régler les effets des secondes cassations prononcées par les Chambres réunies. Ce travail résulte dans une loi du 7 juillet 1865.

Leclercq fut également président de la classe de lettres de l'Académie royale et de l'Académie elle-même. Il a également dirigé les travaux du Conseil de perfectionnement de l'enseignement supérieur (1849-1880), de la Commission des examens diplomatiques et de la Commission royale pour la publication des anciennes lois et ordonnances (1846 (comme « premier » président) - 1881), où il assure la publication des « Coutumes du Luxembourg et du comté de Chiny », ouvrage avec l'apport déterminant de M. Würth-Paquet, président de la Cour supérieurede justice du grand-duché de Luxembourg, pour lequel Leclercq accorde la reconnaissance qui lui revient dès l'introduction de l'ouvrage. Enfin, il a également présidé une commission autour d'un projet de loi sur l'organisation judiciaire (1853) et une commission pour la révision du Code de commerce (1855). En 1859, Mathieu Leclercq est décoré du grand cordon de l'ordre de Leopold. À partir de 1879, Mathieu Leclercq souffre d'une affection oculaire qui l'oblige à cesser ses activités l'une après l'autre, et qui aboutit à une cécité complète en 1882. Le 15 mars 1889, il meurt à Saint-Josse-ten-Noode à l'âge de 93 ans.



Max VAN DEN BOSCH (Student-onderzoeker/étudiant-chercheur, VUB)

Bibliografie / Bibliographie:

  • DAUBRESSE, E., “Mathieu Leclercq” in: X (ed.), Biographie Nationale de Belgique, vol. XXX (1958), kol. 502-507, hier.
  • JACOB, R., "Éditer la loi. Positivisme juridique et histoire nationale au début du XIXe siècle", Bulletin de la Commission Royale pour la Publication des Anciennes Lois et Ordonnances de Belgique/Handelingen van de Koninklijke Commissie voor de Uitgave van Oude Wetten en Verordeningen van België XXXVII (1996), pp. 135-178
  • FAIDER, C., "Mathieu-Nicolas-Joseph Leclercq" in: X (ed.), Annuaire de l'Académie Royale de Belgique, 1890, pp. 443-510, URL, hier.
  • MULLER, F., La Cour de Cassation à l'aune des rapports entre pouvoirs. De sa naissance dans le modèle classique de la séparation des pouvoirs à l'aube d'une extension de la fonction juridictionnelle, 1832-1914/1936, Bruges, Die Keure, 2012.
  • WITTE, E., Belgische Republikeinen en Democraten. Radicalen tussen twee revoluties (1830-1850), Antwerpen, Polis, 2020, pp. 175, 177, 179.
  • Portret en interventies in het Nationaal Congres en het Belgisch Parlement (als Minister van Justitie) op Unionisme.be 
  • X, Une Lignée de juristes, Bruxelles, Hayez, 1942

LEDEN VAN DE COMMISSIE/MEMBRES DE LA COMMISSION: Charles FAIDER (1811-1893)

Charles-Jean-Baptiste-Florian Faider zag het levenslicht op 6 september 1811 te Triëst (1) in Oostenrijkse keizerrijk. Geboren in een familie met een rijke geschiedenis aan advocaten en (hoge) ambtenaren, was hij voorbestemd voor een juridische carrière. Zijn overgrootvader François-Ghislain-Joseph Faider streek vanuit het Groothertogdom Luxemburg neer in Bergen in de achttiende eeuw en werkte als postmeester. De grootvader van Charles, Charles-Joseph Faider, was actief als advocaat bij de Conseil souverain van Henegouwen.Charles Faider zou later zelf schrijven in drie volumes voor de Koninklijke Commissie over de gewoonte in Henegouwen. Charles’ vader, net zoals zijn eigen vader Charles-Joseph genaamd, was een hoge ambtenaar bij la Régie nationale de l’Enregistrement des Domaines et Droits réunis. Door zijn ambt bekleedde de man verschillende posten in heel Frankrijk om uiteindelijk, mede bewerkstelligd door het einde van het keizerrijk in Frankrijk, neer te strijken in Luik waar hij later voor bewezen diensten werd gehuldigd in de Leopoldsorde. 

Het gezin Faider keerde terug naar de Nederlanden. Zijn hogere studies in de Rechten begon Charles Faider aan de universiteit in Luik om ze te voltooien in Leuven waar hij zich wist de onderscheiden in het Romeins recht. In 1831 behaalde Charles Faider zijn licentiaat in de rechten. Na een korte periode als stagiair-advocaat en als medewerker bij het ministerie van Binnenlandse zaken, begon Charles Faider zijn carrière in de magistratuur in 1837 als substituut-procureur des Konings in Leuven en later in Antwerpen. Na het behalen van zijn rechtendiploma op twintigjarige leeftijd, kon Charles Faider dus als zesentwintigjarige aan de slag als magistraat. In 1844, op de leeftijd van drieëndertig, werd hij procureur-Generaal bij het Hof van beroep te Brussel om uiteindelijk 7 jaar later het mandaat van procureur-Generaal bij het Hof van Cassatie uit te oefenen, het ambt waaraan hij zijn blijvende faam en reputatie te danken heeft. 

 

Naast zijn belangrijke rol in de magistratuur betrad Charles Faider de politiek als Minister van Justitie in de liberale regering De Brouckère (1852-1855). Kenmerkend voor de politieke periode van Charles Faider is de totstandkoming van de zogenaamde ‘wet Faider’ die werd uitgevaardigd tijdens zijn ministerschap in de regering De Brouckère (Wet van 20 December 1852 betreffende de vervolging van beledigingen aan buitenlandse staatshoofden). Deze wet is zeer merkwaardig omwille van het feit dat Faider, zoals hiervoor omschreven als een fervent voorstander van de Belgische vrijheden en lof had voor het vrije debat, hiermee de vrijheid van drukpers zwaar beperkte door het beledigen van buitenlandse staatshoofden te verbieden. Ondanks dat de wet er kwam na hevige druk van de Franse overheid, veroorzaakte dit natuurlijk kritiek, zeker van de pers. 

 

Al sedert 1846 was Charles Faider lid van de Koninklijke Academie. In 1866 en 1876 had hij al kort de eer om het voorzitterschap op zich te nemen. Na zijn pensioen in 1886 werd hij in 1888 opnieuw voorzitter als opvolger van Guillaume de Longe. Hij bleef deze functie uitoefenen tot aan zijn dood in 1893. 


Naast zijn activiteiten in de Koninklijke Academie was Charles Faider ook actief in andere verenigingen waaronder de Société de Statistique de Paris, de archeologische kring te Edingen, de Koninklijke academie van de geneeskunde. Zijn interesses overschreden dan ook het louter juridische, met grote interesses in de economie en de statistiek. Net zoals zijn grootvader werd Faider gehuldigd in de Leopoldsorde. 

 

Charles Faider was een grote verdediger van de grondwet**, waar hij ‘Constitution’ steeds met hoofdletter ‘C’ schreef om het belang van de grondwet 1831 te benadrukken. Als aanhanger van het constitutionalisme hechtte hij zeer veel belang aan de oorspronkelijke tekst en interpretatie van 1831. Ook de oude Belgische teksten en gewoontes uit het (verre) verleden speelden voor hem een grote rol om het Belgisch (grondwettelijk) recht te interpreteren.*** De nadruk die Faider legt op de (rechts)geschiedenis maakte van hem een meer dan geschikte kandidaat als voorzitter van de Academie. In zijn werk Coup d’oeil historique sur les institutions provinciales et communales en Belgique (1834) schreef Faider op jonge leeftijd (hij was pas 23 jaar oud) dat het ontstaan van België verre van plotseling is, dat het land louter een fusie is van gebieden die al sinds de Germanen een grote verbondenheid met elkaar vertonen. De centralisatie die de grondwet van 1831 drukt deze verbondenheid en eenheid uit, waar de wet (la loi) de orde dient te beschermen. 


Charles Faider ziet de Grondwet als een liberale tekst, die het liberalisme en individualisme belichaamt (4). Hij heeft in zijn discours weinig woorden over voor de sterke katholieke invloeden in het nationaal  Congres en de uiteindelijke Grondwet. De vrijheden die de Grondwet aan haar burgers schonk (volgens Faider oude herontdekte Belgische vrijheden) (5) waren volgens Faider de grootste troef die België had ten opzichte van andere (buur)landen. De belangrijkste van deze vrijheden  waren volgens Faider de vrijheid van eredienst, de vrijheid van onderwijs, de vrijheid van vereniging en de vrijheid van drukpers, zoals hij dit omschreef in zijn mercuriale van 1876. De magistratuur, en zeker het Hof van Cassatie, is volgens Faider de bewaker van de constitutie, die de juiste toepassing ervan moet waarborgen, om zo de burger te beschermen. Omdat de magistratuur die belangrijke taak dient te vervullen, is het uiterst noodzakelijk dat de Belgische magistraat zijn grondwettelijke vrijheden goed kent en begrijpt. 


Charles Faider was voorzitter van de Koninklijke Commissie voor de Uitgave van Oude Wetten en Verordeningen van België tussen 1888 en 1893 (hij werd lid in 1858). Hij gaf vanaf 1871 het gewoonterecht van het graafschap Henegouwen uit, waarvan het gedigitaliseerde eerste volume hier volgt:



Charles-Jean-Baptiste-Florian Faider est né le 6 septembre 1811 à Trieste, dans l'Empire autrichien. Issu d'une lignée d'avocats et de hauts fonctionnaires, il était destiné à une grande carrière juridique. Son arrière-grand-père François-Ghislain-Joseph Faider, originaire du Grand-Duché de Luxembourg, s’installait à Mons au XVIIIe siècle et exerçait la profession de “maitre des postes”. Le grand-père de Charles, Charles-Joseph Faider, fut avocat au Conseil souverain de Hainaut. Charles Faider lui-même écrivait plus tard en trois volumes pour la commission Royale sur la coutume en Hainaut. Le père de Charles, tout comme son propre père nommé Charles-Joseph, fut haut fonctionnaire à la Régie de l'Enregistrement des Domaines et Droits réunis. Il occupa divers postes à travers la France avant de s'installer finalement à Liège, où il serait plus tard honoré pour ses services dans l'Ordre de Léopold.

La famille Faider retourne aux Pays-Bas. Charles Faider commençe ses études supérieures de droit à l’université de Liège pour les terminer à Louvain, où il réussissait à se distinguer en droit romain. En 1831, Charles Faider obtenait son diplôme en droit. Après une brève période en tant que stagiaire-avocat et assistant au Ministère de l'Intérieur, Charles Faider entame sa carrière dans la magistrature en 1837 en tant que substitut du procureur du Roi à Louvain, puis à Anvers. Diplômé en droit à vingt ans, il a donc pu commencer sa carrière de magistrat à l'âge de vingt-six ans. En 1844, à l'âge précoce de trente-trois ans, il devint Procureur Général à la Cour d'appel de Bruxelles pour finalement occuper, sept ans plus tard, le poste de Procureur Général à la Cour de Cassation, fonction à laquelle il doit sa renommée durable.

En plus de son rôle important dans la magistrature, Charles Faider s'engageait en politique en tant que Ministre de la Justice dans le gouvernement libéral-unioniste de Brouckère (31 octobre 1852-30 mars 1855). La période politique de Charles Faider est caractérisée par la création de la “loi Faider” (Loi du 20 décembre 1852 relative à la répression des offenses envers les chefs des gouvernements étrangers), qui a été promulguée pendant son mandat de ministre dans le gouvernement de Brouckère. Cette loi est très remarquable en raison du fait que Faider, comme décrit précédemment en tant que fervent défenseur des libertés Belges et en faveur du débat libre, limitait fortement la liberté de la presse en interdisant les insultes envers les chefs d'État étrangers. Bien que la loi ait été adoptée sous une pression intense du gouvernement français, cela suscitait naturellement des critiques, notamment de la part de la presse.

Depuis 1846, Charles Faider était membre de l'Académie royale. En 1866 et 1876, il avait déjà eu brièvement l'honneur d'en assumer la présidence. Après sa retraite en 1886, il devenait à nouveau président en 1888, succédant à Guillaume de Longe. Il exerçait cette fonction jusqu'à sa mort en 1893.

En plus de ses activités à l'Académie royale, Charles Faider était également actif dans d'autres associations, dont la Société de Statistique de Paris, le cercle archéologique d'Enghien et l'Académie Royale de médecine. Ses intérêts allaient au-delà du seul domaine juridique, avec un vif intérêt pour l'économie et les statistiques. Tout comme son grand-père, Charles Faider il a été honoré dans l'Ordre de Léopold.

Charles Faider était un grand défenseur de la constitution, qu'il écrivait toujours avec un majuscule 'C' pour souligner l'importance de la constitution de 1831. En tant que partisan du constitutionnalisme, il attachait une grande importance au texte original et à l'interprétation fidèle à la lettre et l'esprit de 1831. Les anciens textes et les coutumes Belges du passé (lointain) jouaient également un rôle majeur pour lui dans l'interprétation du droit Belge (constitutionnel). L'accent mis par Faider sur l'histoire (juridique) a fait de lui un candidat plus que qualifié pour la présidence de l'Académie. Dans son ouvrage "Coup d'œil historique sur les institutions provinciales et communales en Belgique" (1834), Faider écrivait à un jeune âge (il n'avait que 23 ans) que la création de la Belgique est loin d’être soudaine, que le pays n’est qu’une fusion de territoires étroitement leés les uns aux autres depuis l’époque germanique. 

La centralisation imposée par la constitution de 1831 réprime cette connexion et unité, où la loi doit protéger l'ordre. Charles Faider considère la Constitution comme un texte libéral, incarnant le libéralisme et l'individualisme. Il parlait peu dans son discours des fortes influences catholiques au Congrès national et dans la Constitution finale. Selon Faider, les libertés accordées aux citoyens par la Constitution (selon lui, d'anciennes libertés Belges redécouvertes) étaient la plus grande force de la Belgique par rapport à d'autres pays (voisins). Les principales de ces libertés étaient, selon Faider, la liberté de culte, la liberté d'éducation, la liberté d'association et la liberté de la presse, comme il le décrivait dans sa mercuriale de 1876. La magistrature, et en particulier la Cour de cassation, était, selon Faider, le gardien de la constitution, chargé de garantir son application correcte afin de protéger le citoyen. Étant donné que la magistrature devait remplir cette tâche importante, il était extrêmement nécessaire que le magistrat Belge connaissait et comprenait bien ses libertés constitutionnelles.

Charles Faider a été président de la Commission royale pour la publication des anciennes lois et ordonnances de la Belgique entre 1888 et 1893 (il en est devenu membre en 1858). À partir de 1871, il publiait le droit coutumier du comté de Hainaut, dont le premier volume numérisé est disponible ci-dessus.

Senne DE KERPEL (student-onderzoeker/étudiant-chercheur, VUB)



(1) In het kader van het ambt van zijn vader bevond het gezin Faider zich in Triëst (Indépendance Belge, 4 augustus 1893).


(2) Waar hij vaak de vergelijking maakt met de Franse grondwet die hij zelf minder modern vindt dan de Belgische; Faider heeft ook de grondwet van andere staten bestudeerd, zoals de Spaanse grondwet van 1812 die hij “onliberaal” vond.


(3) In de jaarlijkse mercuriale van 1871 verwijst Charles Faider naar een aantal grondleggers van de grondwet van 1831, wat de betrokkenheid van het constitualisme in de visie van Charles Faider enkel benadrukt.


(4) Zo verwijst hij naar de (weder)invoering van de volksjury bij bijvoorbeeld de drukpersmisdrijven.


(5) Faider erkent ook de invloed van de Franse Grondwet, maar nog belangrijker zijn oude teksten zoals het Charter van Cuyck (Luik, 1198), Vrede van Fexhe (Luik, 1316), de Brabantse Blijde intrede (1356).





Bibliografie/références:


  • DELBECKE, B., "Gerechtelijke nationale cultuur en haar blinde vlek: de mercuriales en gelegenheidsredes van Charles Faider als Procureur-Generaal bij het Hof van Cassatie (1871-1885)", TRG LXXV (2007), nr. 4, 363-394 DOI 10.1163/157181907782912435.

  • FAIDER, C., "La Constitution", La Belgique judiciaire 1871, kol. 385-399, hier.

  • FAIDER, C., "Les quatres grandes libertés constitutionnelles", La Belgique judiciaire 1876, kol. 1329-1343, hier.

  • GIRON, A., "Notice sur Charles-Jean-Baptiste-Florian Faider membre de l'académie" in X (ed.), Annuaire de l'Académie Royale de Belgique des sciences, lettres et des Beaux-Arts de Belgique, Brussel, Hayez, 1894, 376-497, Google Books. 

  • HOLTHÖFER, E. "Faider, Charles Jean-Baptiste Florien". In M. STOLLEIS (Hrsg.) Juristen: ein biographisches Lexikon von der Antike bis zum 20. Jahrhundert,  München: Beck, 2001, 197-198.

  • MULLER, F., La Cour de Cassation à l'aune des rapports entre pouvoirs. De sa naissance dans le modèle classique de la séparation des pouvoirs à l'aube d'une extension de la fonction juridictionnelle, 1832-1914/1936, Bruges, Die Keure, 2012.

  • La Nation, 19 november 1852, nr. 324, 1, hier.

  • Pasinomie Troisième série. T. XXII, Brussel, Meline, 1852, nr. 564, 620-631, hier.




VACATURE: Wetenschappelijk attaché project voorlopige regering 1830-1831 (m/v/x)/Attaché·e scientifique projet gouvernement provisoire 1830-1831 (m/f/x) (Brussel/Bruxelles: KBR) [DEADLINE 25 SEP 2026]

  (bron afbeelding/source image: KBR ) Abstract: In het kader van 200 jaar Belgische Revolutie (in 2030) lanceren KBR en het Algemeen Rijksa...